Blog - Kruidje-roer-me-niet schreeuwt om hulp

Kruidje-roer-me-niet schreeuwt om hulp
De appel valt niet ver van de boom, zegt men wel eens. Maar de manier waarop Thomas Leysen de zaken aanpakt, verschilt grondig van de wijze waarop zijn vader, André Leysen, te werk ging.
Als voorzitter van de Belgische werkgeversorganisatie VBO in de tweede helft van de jaren 80 was André Leysen een grote voorstander van een streng-orthodox begrotingsbeleid. Hij steunde voluit de inspanningen van de jonge en voluntaristische minister van Begroting, Guy Verhofstadt, om de overheidsfinanciën recht te trekken, al moesten daarvoor enkele heilige huisjes worden gesloopt. Zijn zoon Thomas Leysen is als VBO-voorzitter niet zo recht in de leer. Die presteert het om met de vakbonden een duur maar wankel sociaal akkoord af te sluiten - door de onderhandelaars zelf een 'kaartenhuisje' genoemd - en de hoge rekening daarvoor vervolgens zonder blozen ter betaling aan de regering voor te leggen. Op een ogenblik dat de begroting al gevaarlijk naar de verkeerde kant aan het overhellen is.
André Leysen weigerde als krantenbaas - hij stond aan het hoofd van de Standaard-groep - een beroep te doen op de overheidssteun voor de pers. Hij begreep dat men de grote principes die men verkondigt ook zelf moet naleven. Het aanvaarden van overheidssteun zou ingedruist hebben tegen zijn visie dat de rol van de overheid in de economie beperkt moet blijven. Maar de tijden zijn blijkbaar veranderd. Redacteurs van dezelfde Standaard, ondertussen in handen van zoon Thomas, publiceerden deze week in hun eigen krant een opiniestuk waarin ze de Vlaamse minister-president Kris Peeters - ook verantwoordelijk voor het mediabeleid - opriepen de journalisten te beschermen tegen de besparingsdrang van hun uitgevers. De oproep kwam er na de aankondiging van ontslagen bij de krant en was mee ondertekend door journalisten van De Morgen, waar ook banen sneuvelen. Redacteurs van De Standaard en De Morgen zijn normaal kat en hond. Maar als er om overheidssteun moet worden gebedeld, vinden ze elkaar opeens in een ontroerende solidariteit. In hun opiniestuk gingen de journalisten niet zover openlijk financiële steun te vragen. Maar de Vereniging van Vlaamse Journalisten wond er minder doekjes om en wees erop dat in het zuiden van het land drie keer zoveel overheidsgeld naar de pers gaat als in Vlaanderen. De boodschap was niet mis te verstaan.
De mediabedrijven zijn inderdaad niet immuun voor de economische crisis. Als de conjunctuur vertraagt, dan schrappen de bedrijven in hun reclamebudgetten en dat neemt onmiddellijk een hap uit de inkomsten van de krantenbedrijven. De Belgische krantenwereld in ons land is de jongste jaren als gevolg van de ontzuiling veel concurrerender geworden. Kranten zijn commerciëler gaan denken en doen, ze hebben de markt ontdekt en passen alle trucs toe die daar gebruikelijk zijn. De medewerkers van de krantenbedrijven - ook de journalisten - laten zich de geneugten van de markt welgevallen. Maar wanneer de markt een keer bijt, voelen ze zich verongelijkt.
Als textielbedrijven honderden arbeiders afdanken is dat een noodzakelijk antwoord op de terugval in de vraag, lees je in de pers. Als een autoconstructeur een fabriek sluit, weten de journalisten dat dat komt omdat de loonkosten hier te hoog zijn en zien ze het ook als een voorbeeld van creatieve destructie. Dat ons land te veel ambtenaren telt, daarover zijn ze het roerend eens. Maar aan de job van journalisten mag onder geen beding worden geraakt, vinden ze. Want dan komt niet alleen de kwaliteit van de berichtgeving in het gedrang, maar loopt zelfs de democratie gevaar! U begrijpt hieruit dat journalisten een hogere opdracht vervullen die in niks te vergelijken is met het werk van textielarbeiders, werknemers in een assemblagefabriek of ambtenaren.
Op een studiedag in Antwerpen hekelde Leo Neels, docent mediarecht, onlangs het gebrek aan zelfkritiek bij de journalisten. Ze zijn bijzonder hard voor de anderen, maar aanvaarden zelf geen spotje kritiek van buitenstaanders. Dan zijn ze een kruidje-roer- me-niet. Journalisten maken scherpe analyses van de strategie van bedrijven en politieke partijen. Maar nooit van zichzelf. Aan peptalk ontbreekt het niet: behaalde persprijzen, lay-outonderscheidingen en goede lezerscijfers worden breed over de pagina's uitgesmeerd. Goed nieuws is geen nieuws, is een journalistenwijsheid. Alleen voor de pers geldt dat niet: daar is goed nieuws altijd gróót nieuws.
Kromme redeneringen
De overheid heeft de banken de voorbije maanden flink wat geld toegestopt. In ruil heeft ze inspraak geëist in het beleid. Vanzelfsprekend, klonk het in de kranten. Want de overheid moet toezicht houden op wat met haar centen gebeurt. Maar als ze geld geeft aan kranten, dan liggen de zaken plots helemaal anders. Dan wordt geschermd met de journalistieke onafhankelijkheid om de overheid inspraak te ontzeggen.
Journalisten zijn goed in het opzetten van kromme redeneringen. Maar hoe kan je nog journalistieke onafhankelijkheid claimen als je geld van de overheid aanvaardt? Hoe kan je als journalist met goed fatsoen in commentaarstukken de politici kapittelen omdat ze de begroting laten ontsporen en daarmee de toekomstige pensioenbetalingen hypothekeren, maar tegelijk verlangen dat diezelfde politici een smak overheidsgeld uittrekken om de banen van de journalisten te beschermen? De journalisten zetten daarmee hun geloofwaardigheid - of wat er nog van overschiet - op het spel.
Uiteindelijk zijn de journalisten in hetzelfde bedje ziek als de werkgeversorganisaties en de vakbonden, als ze proberen de kostprijs van een noodzakelijke ingreep op de overheid af te wentelen. Terwijl het een robbertje is dat ze met hun uitgever moeten uitvechten. Laat de overheid erbuiten.
Dit artikel verscheen eerder in De Tijd.


rss

















