Blog - Voor de pers is crisis een uitdaging

Voor de pers is crisis een uitdaging
Ook voor de pers, en voor de media in het algemeen, zouden crisissen uitdagingen moeten zijn, in dit geval, een uitdaging om zich te bezinnen over waar men mee bezig is, waar men misschien vastgelopen is, en hoe men zo nodig een nieuwe start kan nemen. De perscrisis is al enige tijd geleden begonnen, maar werd versterkt door de algemene economische crisis. Van die laatste wordt gebruik gemaakt om maatregelen te nemen die al enige tijd op de agenda stonden maar die men vooruitschoof uit vrees voor het aangaan van de confrontatie met de realiteit.
Op maandag 9 maart 2009 werd mij in Gent de “prijs voor de vrijheid” toegekend door de Vlaamse denktank Nova Civitas, opgericht door prof. Boudewijn Bouckaert en thans onder voorzitterschap van mr. Werner Niemegeers. Na de laudatio door Frans Crols sprak ik het volgende dankwoord uit.
Ook voor de pers, en voor de media in het algemeen, zouden crisissen uitdagingen moeten zijn, in dit geval, een uitdaging om zich te bezinnen over waar men mee bezig is, waar men misschien vastgelopen is, en hoe men zo nodig een nieuwe start kan nemen.
De perscrisis is al enige tijd geleden begonnen, maar werd versterkt door de algemene economische crisis. Van die laatste wordt gebruik gemaakt om maatregelen te nemen die al enige tijd op de agenda stonden, maar die men vooruitschoof uit vrees voor het aangaan van de confrontatie met de realiteit. Zo is er al lang een redactionele overbezetting gegroeid, en had men de crisis nodig als alibi om in het personeelsbestand te snoeien. Ook wist men al lang dat de inkomsten uit reclame in dalende lijn gingen. Bijvoorbeeld omdat adverteerders meer impact verwachten van reclame op radio en televisie dan van reclame in de pers en omdat de doelgroep van de jongeren steeds meer op internet zijn informatie gaat zoeken. Het resultaat van een en ander is dat vele bladen, overal ter wereld, minder ruimte kunnen verkopen aan adverteerders en verplicht zijn hun tarieven te verlagen. Voor de Franse pers beschikken we over een cijfer: in januari van dit jaar lagen de totale advertentie-inkomsten van de pers twintig procent lager dan in januari van vorig jaar (Le Monde, 21.2.09). Rik de Nolf, uitgever van de Roularta-bladen, zegt de achteruitgang van de reclame-inkomsten die we nu kennen, nog nooit te hebben meegemaakt (De Tijd, 20.2.09).
Kranten kampen bovendien - want voorlopig zie ik geen verband met het dalen van de reclame-inkomsten - met een dalende oplage. Vorig jaar zijn er per dag gemiddeld 7.000 Vlaamse kranten minder verkocht dan het jaar daarvoor (De Standaard, 7.2.09). In Nederland is dit nog veel erger. De Telegraaf verloor 5 procent, het Algemeen Dagblad 10 procent, en behoudens het Financieele Dagblad zowat alle andere bladen tussen 5 en 10 procent van hun lezers. Interessant om weten is dat de kleinere bladen het beste stand hielden (De Volkskrant, 30.12.08.) De Volkskrant is in tien jaar tijd 25 procent van zijn lezers kwijtgeraakt, en stelt zelf vast dat er een generatie is opgegroeid voor wie de krant iets is uit de verleden tijd. Men werkt daar nu aan een speciaal jongerenkatern, al vrees ik dat dit niet de juiste oplossing is. De Volkskrant erkent immers zelf dat gespecialiseerde bladen het nog altijd goed doen, maar trekt daar geen conclusies uit, en schijnt alle heil te verwachten van een verjonging van het aanbod.
Tezamen met de daling van de oplagecijfers van de kranten neemt de kritiek op de journalistiek toe. En die komt niet alleen van ontevreden lezers, hoe terecht die ook mag zijn, maar eveneens van uitgevers, die zich zorgen maken over de leefbaarheid van hun kranten op langere termijn. In eerste instantie wordt dan gedacht aan bezuinigingen, maar voorts ook aan weeral de zoveelste vernieuwing en aan verjonging. Een voorbeeld hiervan biedt in ons land De Morgen, waar een pak banen op de redactie sneuvelen, terwijl men weet dat de uitgever werkt aan een plan om door nieuwe aanwervingen een jongere, vinniger en minder in politieke correctheid vastgelopen redactie aan te stellen.
Schuldige onwetendheid
In die verjonging geloof ik niet. Dirk Tieleman van de VRT zei onlangs, terecht dunkt me, dat “de onwetendheid bij jonge journalisten verschrikkelijk groot is” (Dag Allemaal, 12.7.05). Zijn collega Walter Zinzen was het daar roerend mee eens en zei over de verjonging: “Dat is toch verschrikkelijk stom,” aldus Zinzen, want “het aantal ouderen wordt almaar groter en palmt dus steeds belangrijker delen van de markt in. Die lezers zijn niet gediend met jonge, onervaren blaadjes die denken dat televisie of pers zijn uitgevonden op de dag dat zij ervoor zijn gaan werken”. Zinzen heeft gelijk. Wie zelf al wat ouder is, merkt dat voortdurend. Overlijdt een voornaam historicus als Albert de Jonghe, de auteur van het standaardwerk over de houding van Hitler tegenover de bezetting en de toekomst van België tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan is er geen enkele redactie die De Jonghe herdenkt in een informatief artikel, want vermoedelijk is er geen die bij benadering weet over wie het gaat en welke betekenis deze historicus heeft gehad, maar één beschikte blijkbaar wel over het telefoonnummer van een ander historicus, die vervolgens zijn persoonlijke mening gaf over De Jonghe, interessant, maar een opiniestuk, geen ook maar enigszins objectief duidend krantenartikel. Zoiets kan men zich in onze buurlanden niet voorstellen. Het klinkt misschien een beetje macaber - en ik bied u daar mijn excuus voor aan - maar op mijn leeftijd gekomen, heb ik mij ook al wel eens afgevraagd wat de media met mijn overlijden zullen doen, als de dag der dagen zal zijn gekomen, en dan ... laten we zeggen dat ik de onwetende jongere lezers beklaag die daarover geïnformeerd zullen worden door even onwetende jongere redacteuren.
Het is een schuldige en tenminste ten dele opzettelijke onwetendheid van een generatie die een aantal zaken niet wil geweten hebben en ze derhalve foutief aan haar lezers doorgeeft. Ik dacht daar dezer dagen nog aan toen ik de artikelen las die her en der verschenen zijn naar aanleiding van het overlijden van Jaap Kruithof, met wie ik in de jaren zestig, toen hij columns schreef voor De Nieuwe, tamelijk goed bevriend ben geweest. Niemand van al degenen die hem memoreerden, vertelt dat Kruithof een overtuigd Vlaams-nationalist was, die zelfs nog een actieve rol heeft gespeeld in het Vlaamse verzet tegen het Egmont-pakt van 1977. Pas na de doorbraak van het Vlaams Blok een aantal jaren later is hij, onder invloed van zijn toenmalige vriendenkring, wat genuanceerder gaan denken. Alleen in een lezersbrief in De Standaard werd de verkeerde informatie rechtgezet en werd herinnerd aan de Vlaams-nationale geloofsbelijdenissen die Kruithof in overigens meer dan één interview had afgelegd. Iets soortgelijks heeft zich voorgedaan met Hugo Claus. Ook Claus was in de jaren zestig, toen ik hem persoonlijk kende, een overtuigd Vlaams-nationalist, maar niemand die de stapels papier die bij zijn overlijden aan Claus werden gewijd, heeft gelezen, kon daar zelfs maar een vermoeden van hebben. Het kliekje dat hem in zijn laatste jaren omringde en het monopolie bezat op zijn in memoriam, heeft zijn nagedachtenis exclusief geplaatst in het teken van het eigen ideologisch gelijk, met miskenning van de volledige mens in zijn vele aspecten. Dan denk ik soms: wie, in de hedendaagse journalistiek, zal nog in staat zijn om zijn lezers bijvoorbeeld het veranderingsproces dat Vlaanderen kende in de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw, uit te leggen, en de plaats te schetsen die daarin werd ingenomen door het weekblad De Nieuwe, door mij opgericht in 1964 en opgegeven in 1980, toen het zijn rol had vervuld?
Dit is een Vlaams verschijnsel, hoor, want kijk maar eens naar Nederland, Frankrijk, Duitsland, Engeland, allemaal landen waar tenminste toch de kwaliteitspers met opzet oudere, gepensioneerde redacteuren deeltijds, op freelance basis, in dienst houdt om van hun ervaring te kunnen profiteren als dit nodig is. Op die manier behoudt de krant of de zender een “geheugen”, zodat de oudere lezers berichtgeving ontvangen die hen speciaal interesseert omdat ze herkenbaar is voor hen, en jongere lezers deskundig voorgelicht worden over wat er zich in het verleden heeft afgespeeld en wat sommige mensen daarin te betekenen hebben gehad. Slechts twee voorbeelden: als Le Monde iets wil memoreren, zoals de zestigste verjaardag van de NATO, dan doet de krant een beroep op haar oud-hoofdredacteur André Fontaine, in de tachtig, die het als jong, aankomend redacteur buitenland nog heeft meegemaakt. En in NRC-Handelsblad publiceert oud-hoofdredacteur J.L. Heldring wekelijks een column die zowat de meest gelezen rubriek in haar soort is in de hele Nederlandstalige pers, - Heldring is negentig. Dat kennen wij in Vlaanderen niet, integendeel: leeftijdsgrens betekent buiten, weg, en durf nooit meer terug te komen.
De veel gehuldigde vernieuwing staat dus niet noodzakelijk voor verbetering, en bezuinigingen op redactiepersoneel, zoals die zich thans overal voordoen, ook in het buitenland, hebben geen gevolgen voor de leefbaarheid van de krant, want de meeste redacties zijn - ik zei het al - overbemand. Als ik lees dat er vijftig jobs op de helling staan bij Le Soir, verwacht ik dan dat Le Soir slechter zal worden? Nee hoor! Ik juich dat toe, en betreur alleen dat het er geen honderd zijn, want dan zou deze moniteur belge van de anti-Vlaamse haat, die meer dan welk ander blad ook medeverantwoordelijk is voor het verpesten van de sfeer tussen de gemeenschappen, zodat evenwichtige oplossingen voor het al dan niet verder samenleven van de volkeren in België onmogelijk worden gemaakt, - welnu dus, als er honderd mensen op de redactie zouden verdwijnen, zou er zoveel procent minder haatproza verschijnen en zou de wereld er beter uitzien.
Mateloze zelfoverschatting
Het discours van vele journalisten, die zich onmisbaar wanen, grenst aan mateloze hoogmoed en zelfoverschatting. Wilt u eens een staaltje van die zelfoverschatting krijgen, dat nooit gesignaleerd werd in een Vlaamse krant? Het is dit. Op 18 maart 2006 publiceerde Yves Desmet, politiek toonaangevend commentator van De Morgen, een opiniestuk in Le Soir. Om aan dit Franstalige publiek duidelijk te maken hoe erg het met Vlaanderen - dat land vol fascisten, negationisten en andere mestkevers - gesteld was, schreef Desmet het volgende: “Misschien zal De Morgen in Vlaanderen het lot kennen van de Münchener Post, het laatste Duitse dagblad dat zich verzette tegen de nazi’s voordat het verboden werd, en waarvan de journalisten de eersten waren om naar de concentratiekampen te worden afgevoerd”. Wilt u zich deze parel van de Vlaamse journalistiek letterlijk in het geheugen prenten? Dit is het: “Peut-être De Morgen sera-t-il, en Flandre, le Münchener Post, dernier quotidien allemand à s’être opposé aux nazis et dont les journalistes furent les premiers à être déportés dans les camps”. Open dus maar gauw het kamp van Breendonk nr. 3 (nr. 1 was tijdens de bezetting, nr. 2 tijdens de repressie) voor de redactie van De Morgen! Is Desmet gek? Ik vrees van niet, en dat is dus het probleem.
Er zijn teveel journalisten, en zowat allemaal zijn ze verstoken van enige zelfrelativering. Als verzachtende omstandigheid kunnen ze inroepen dat de maatschappelijke omgeving waarin ze werken, niet tot zelfkritiek aanzet. Waar is de tijd dat politici, als ze dat nodig vonden, journalisten de rug toekeerden en weigerden met hen te praten? Wie op de zwarte lijst stond van mensen als Theo Lefèvre, Gaston Eyskens, zelfs nog enigszins Leo Tindemans en Wilfried Martens, kwam in de problemen. In Nederland liet Hans Wiegel ooit tijdens een televisieprogramma een lege stoel achter nadat een reporter hem onbeleefd had toegesproken. Waarom doen politici dat niet meer? Het is onwaarschijnlijk hoe ze zich door sommige media laten schofferen en beledigen. Natuurlijk gaan journalisten dan denken dat ze zich alles mogen permitteren, of dat ze belangrijk genoeg zijn om ooit de eer van de politieke gevangenschap te zullen kennen. Zo komt het ook dat ze denken onmisbaar te zijn, en dat een zekere Bianca Rootsaert, die in Nederland secretaris is van de Vereniging van Journalisten, naar aanleiding van de bezuinigingen die doorgevoerd worden in de pers aldaar, zegt dat “elke journalist die moet vertrekken een nieuwsbron minder” is (De Standaard, 21.2.09). Wat een zelfoverschatting, want kijk nu toch eens aan: stel dat de zaterdagse magazinebijlage van Le Monde verdwijnt - en ik gebruik met opzet een buitenlands voorbeeld, zodat het niet te persoonlijk klinkt -, dan moeten zeker tien of twaalf redactieleden opstappen, maar is dat zo erg? Ik ben al een halve eeuw lezer van Le Monde, maar nooit heb ik in de zaterdagse magazinebijlage buiten de titels één woord gelezen. De nieuwswaarde ervan is nul. En pas dit voorbeeld nu maar toe op al die van informatiestandpunt uit gezien nutteloze katernen in de Vlaamse en de Nederlandse pers. Dat is alleen maar bedrukt papier om reclame aan te trekken, of wat dacht u? Ik heb ze allemaal weten ontstaan, de bijlagen reizen, de bijlagen bouwen en wonen, enzovoort, welnu, allemaal danken ze hun ontstaan aan de reclameacquisiteurs van de krant. Bij de advertenties moest tekst worden geplaatst, vandaar ... Maar als die bijlagen wegvallen door gebrek aan reclame, dan is dat toch niet erg? Ik betreur elk jobverlies, maar met journalistiek hebben die bijlagen toch niets van doen? En om het nog wat meer te relativeren: wist u dat tachtig procent van het informatiemateriaal dat in een doorsnee-krant wordt gebruikt, afkomstig is van één nieuwsagentschap?
Geen kwaliteitskranten
Op dit punt gekomen, wil ik u duidelijk maken dat, in tegenstelling tot wat sommige redacties zelf zeggen, Vlaanderen en ook België geen kwaliteitskranten bezit. Vergelijk de in de wereld bestaande en algemeen als dusdanig erkende kwaliteitskranten met onze pers, en dan merkt u het verschil wel. Er bestaat in de wereld geen kwaliteitskrant die geleid wordt door een manager, zoals De Standaard, en geen die aan etnische haatzaaierij doet, zoals Le Soir, of waarvan de hoofdredacteur droomt van een verblijf in het concentratiekamp, zoals De Morgen. Is dàt kwaliteit? Overigens moet u maar eens een buitenlandse vriend die journalist is of iets van pers kent, een exemplaar van De Standaard voorleggen, en dan zeggen dat dit pamflet bij ons doorgaat voor een kwaliteitskrant. Hij zal ongelovig opkijken en u zeggen dat dit niet kan, want geen kwaliteitskrant ter wereld pakt uit met een sensationele en bekrompen provincialistische voorpagina als die van De Standaard.
Maar er is meer. Inhoudelijk is het voornaamste kenmerk van een kwaliteitskrant dat zij zeer nauwkeurig en consequent informatie en commentaar gescheiden houdt. Dat gebeurt noch bij De Morgen noch bij De Standaard. De Morgen komt er openhartig voor uit dat zij over één bepaalde partij alleen in negatieve zin schrijft, en elke niet-negatieve informatie over of uitgaande van die partij - haar standpunten dus, haar tussenkomsten in het parlement, enz. - bewust doodzwijgt. Vertel dat eens aan een redacteur van - ik zeg maar iets - The Guardian, de Frankfurter Allgemeine, en noem maar op, en die zal u - opnieuw - ongelovig aanstaren: een kwaliteitskrant die niet haar uiterste best doet om politieke informatie zo objectief mogelijk te brengen, bestaat alleen in Vlaanderen.
Maar er is nog meer. Een kenmerk van een kwaliteitskrant is dat haar hoofdaandacht uitgaat naar wat er in de wereld gebeurt, en slechts uitzonderlijk (bijvoorbeeld bij rampen of verkiezingen) een voorpaginatitel wijdt aan gebeurtenissen in eigen land. Ook volgens deze norm voldoet in België geen enkel dagblad aan de internationale criteria voor een kwaliteitskrant.
Het was ooit anders
En nochtans, het kàn anders. Wat men systematisch nalaat te vertellen aan jongeren, ook aan jongere journalisten, is dat het ook bij ons ooit anders is geweest. Mag ik ten bewijze hiervan de herinnering oproepen aan de jaren vijftig, onlangs door Kees van Kooten (in NRC-Handelsblad, 21.2.09) beschreven als “een tijd waarin het leven nog overzichtelijk was en mensen wellevend en welbespraakt waren”? In die tijd dus had een blad als De Standaard een redactiedirecteur die tevens chef-redacteur buitenland (en dus niet binnenland) was, en die zorgde voor één groot hoofdartikel buitenland links op de voorpagina elke maandag, plus op pagina drie dagelijks een kolom commentaarbuitenland door een van de redacteuren van de krant. Dagelijks! Kunt u zich dat vandaag nog voorstellen? En hetzelfde gold voor andere bladen. Zelfs een zeer populaire tabloid als Volksgazet had een dagelijks commentaarbuitenland op een binnenpagina en zeer vaak ging de hoofdaandacht van de voorpagina uit naar buitenlandse berichtgeving. De commentarenbuitenland verschenen anoniem maar men wist dat ze geschreven waren door de socialistische senator Rombauts, die in de Senaat niet vaak aan het woord kwam maar van zijn zitje gebruik maakte om zich uitstekend te informeren over internationale politiek. In De Nieuwe Gids bracht Leo Tindemans, die toen nog geen minister was geweest en aanvankelijk ook geen parlementslid was, een zeer lezenswaardige bijdrage over internationale zaken. Hetzelfde deden de politieke hoofdredacteuren die zowel over binnen- als over buitenlandse zaken schreven, zoals Louis Kiebooms in Gazet van Antwerpen, Karel van Cauwelaert in Het Volk, Hubert Leynen in Belang van Limburg. Zelfs het weekblad van de Christelijke Arbeidersbeweging, De Volksmacht, - thans Visie geworden -, dat naar alle leden van de zuil werd gestuurd en daardoor na het parochieblad, later Kerk en Leven genoemd, de hoogste oplage van alle Vlaamse periodieke publicaties bezat, - welnu dus, zelfs De Volksmacht bracht tenminste om de veertien dagen een commentaarbuitenland, gedegen en hoegenaamd niet vulgariserend; ik kan het weten want toevallig was ik gedurende jaren de auteur van deze stukken.
Dat was Vlaanderen anno - laten we zeggen - 1958 of daaromtrent. In België was het niet anders. La Libre Belgique had elke dag op de voorpagina een groot stuk over internationale politiek, wekelijks een van de hand van senaatsvoorzitter Paul Struye, en de andere dagen in hoofdzaak van hun eigen correspondenten - jawel, eigen correspondenten: hun uitstekende correspondent in Londen, Robert Lacoste, was een goede vriend in de tijd toen ik daar verbleef, een man die vanuit Londen de internationale politiek bestudeerde en beschreef. Le Soir had ook een eigen correspondent in Londen, die ook voorpagina-artikelen leverde voor dat blad, precies zoals mijn Nederlandse collega’s in Londen dat deden: ook zij kregen de voorpagina voor hun berichtgeving. En ja, ikzelf genoot als correspondent van Het Volk in Londen die zelfde eer: heel vaak stond mijn Londens commentaar op de plaats van het hoofdartikel als Karel van Cauwelaert, die met Schildwacht ondertekende, afwezig was of geen tijd had, want hij was ook senator en een tijdlang zelfs fractievoorzitter.
Nog wat herinneringen
Wat blijft daar vandaag van over? Het buitenland, de wereld, is voor ons nooit zo belangrijk geweest als in deze tijd, maar wat doet onze pers daarmee? Hoeveel jonge Vlaamse journalisten krijgen de kans om hun vak te leren door enkele jaren voor rekening van hun krant in het buitenland als correspondent te mogen werken? Is er één enkele? Ik vrees van niet, al heeft de VRT wel een vast iemand in Amerika zitten. Staat u mij dan toe over achteruitgang van onze pers te spreken, een regressie. Mag ik zeggen dat Vlaanderen en België er vijftig jaar geleden wat betreft openheid voor de wereld beter voorstonden dan vandaag? Zoals trouwens Vlaanderen er ook in politiek opzicht al beter voorstond in 1939 dan vandaag, want naar algemeen getuigenis van betrokkenen lag toen met instemming en aanmoediging van Leopold III de weg open voor een leefbaar federalisme van een andere allure dan het knoeiwerk dat de generatie Tindemans-Martens heeft geleverd. Vlaanderen had de oorlog en de collaboratie niet nodig om zichzelf te worden, maar het werd wel door de naoorlogse repressie, die in politiek opzicht anti-Vlaams was, uitgeschakeld en van zijn beste krachten beroofd. Soms heb ik de indruk dat we hiervan nog steeds niet bekomen zijn.
Om nog wat herinneringen op te halen. Weet u dat in 1944-45 Hubert Beuve-Méry Le Monde heeft opgericht met twaalf medewerkers? En dat die krant haar reputatie van kwaliteitskrant en internationaal referentiepunt heeft gevestigd in de late jaren veertig en begin jaren vijftig, toen de redactie nog steeds niet meer dan een dertigtal personen telde? U ziet dus: degenen die zeggen dat je geen volwaardige krant kunt maken met minder dan een paar honderd mensen, hebben natuurlijk het recht dat te zeggen om hun job veilig te stellen, maar de waarheid is het niet. Toen ik in die tijd, vooral in het jaar 1960 toen de Kongolese onafhankelijkheid wereldnieuws was, meewerkte aan The Guardian - toen nog The Manchester Guardian geheten -, zat die hele politieke en diplomatieke redactie in een oud krakkemikkig gebouw in Fleet Street, een echte krocht, met een smalle houten, krakende trap naar boven, zonder leuning en met beneden de vermaarde notitie dat wie wat gedronken had, er goed aan deed geen gebruik te maken van de trap, want de uitgeverij wees alle verantwoordelijkheid voor mogelijke ongevallen af. En dan klagen ze hier als ze naar een modern pand in Groot-Bijgaarden moeten verhuizen. Op het kantoor van de redactie buitenland struikelde je over mensen, kranten, encyclopedieën, kopjes thee en de grootste rommel die je je kunt voorstellen. Maar wat een leven! Wat een arbeidsvreugde! Wat een plezier daar gemaakt werd. En wat een goede krant er werd gemaakt, - ook dat, ja.
Daar zaten heren (en een paar dames) die belezen waren, die smaak hadden en ondanks of dank zij hun overvloedig tavernebezoek werk van kwaliteit leverden.
Wat is kwaliteit?
Nogmaals dus is dat woord gevallen dat hier al een paar keren werd gebruikt: kwaliteit, en ik liet al verstaan dat het iets te maken heeft met de persoonlijkheid en de waarde van de makers van de krant. Ik heb ooit, aan het einde van mijn studententijd, enkele dagen doorgebracht - als een soort stagiair, zeg maar, maar toen heette dat niet zo - op de redactie van Le Monde. Wat mij opviel en wat ik nooit vergeten ben - maar ik heb wel de indruk dat tegenwoordig nogal wat medewerkers van Le Monde niet meer aan de toen gangbare eisen voldoen -, wat mij opviel was de autoriteit, de karaktervastheid en de discipline van de equipe die aangeworven en gevormd was door Beuve-Méry, een diep gelovig protestant die zich na zijn pensionering ingezet heeft voor de oecumenische abdij van Taizé waar hij een deel van het jaar verbleef. De rechtschapenheid van de voornaamste redacteuren sloot een hartelijke en oprechte camaraderie niet uit, integendeel, maar het was heel normaal om er lange gesprekken te voeren over de jongste titels in de wereldliteratuur of om in hoogstaand intellectueel overleg de gebeurtenissen van de dag te bekijken. De informatie, die van alle kanten op ons afkomt, werd deskundig gefilterd en klaargemaakt om de lezer de best mogelijke voorlichting te verschaffen. Onder Beuve-Méry was Le Monde toonaangevend geworden omdat er een onmiskenbare rigoristische protestantse geur omheen hing. Streng in de commentaren, betrekkelijk sober in de berichtgeving - niets overbodigs, - en redelijk afstandelijk van de waan van de dag. Maar dat was een blad dat uitkwam op acht, soms tien, uitzonderlijk op twaalf pagina’s, zoals bij ons toen De Standaard ook maar twaalf en soms zestien pagina’s telde. Van bijlagen had men nog nooit gehoord. Sport? Ja, Beuve-Méry had daarvoor een schrijver in dienst genomen, ik bedoel een auteur van romans en verhalen, en die maakte prachtige verslagen, heel korte kolommetjes. Toen hij de Ronde van Frankrijk volgde, gebeurde het dat hij zo goed aan het schrijven was, dat hij vergat de naam van de winnaar van de koers van de dag te vermelden. Let wel: Le Monde had toen één sportredacteur, en nog enkele losse medewerkers voor elitesporten als golf en paardrijden.
De tijd van de papierschaarste
Het was een mooie tijd in de pers, - de tijd van de papierschaarste, toen bedrijven nog geen geld hadden om overvloedig te adverteren. Kranten moeten dunner! Mijn hoop is dat de crisis van vandaag daartoe zal bijdragen. Maak een krant van een paar pagina’s, die gelezen wordt, en niet langer een krant die kilo’s nutteloos papier verwerkt. Gooi al die onzin eruit. En leg beschavingsnormen aan. Moge de pers een voorbeeld, een toonbeeld zelfs, zijn voor de samenleving in dit land, in plaats van een beschamende verzamelbak van slechte smaak. Geert Hoste stelde onlangs vast (in De Morgen, 25.10.08): “In beschavingstermen gesproken maakt Vlaanderen een heel slechte periode door,” en dat was een understatement. De pers is daar helaas een afspiegeling van, hierin het voorbeeld volgend van de televisiezenders, die schaamteloos bezig zijn ons volk ten gronde richten met hun programma’s voor debielen en perversen. Die totale platheid, dat exhibitionisme, die overgewaaid zijn van televisie naar de geschreven pers, waar een zogenaamde kwaliteitskrant het onlangs nog bestaan heeft om pornografie op de markt te brengen. Het woord, en zeker het geschreven woord, staat in de cultuur van onze tijd in dienst van de emotie, de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste roerselen, wat doorgaat als authenticiteit maar in werkelijkheid een vlucht is voor de verantwoordelijkheid die de pers bezit als deel van wat een beschaafde samenleving dient te zijn. Subtiliteit, zorgvuldigheid, waardigheid, - het kan blijkbaar allemaal worden gemist. De pers, zoals vele andere aspecten van de hedendaagse cultuur, is, met de woorden van wijlen de grote Nederlandse socioloog J.A.A. Van Doorn (in HP/De Tijd, 27.7.07), “symptomatisch voor een samenleving die de rustgevende kracht van de traditie achter zich heeft gelaten en van het ene incident naar het andere holt, onverschillig of het politieke rellen, persoonlijke schandaaltjes of publicitair stuntwerk betreft”.
Wat is een goede pers?
En zo komen we terecht bij de inhoudelijke karakteristieken van een goede pers. Zij moet niet enkel zelf vrij zijn, wat bijvoorbeeld impliceert dat zij nooit overheidssteun mag krijgen, maar moet ook een tribune zijn voor de bevordering van het vrije denken. Overheidssteun wordt maar al te gaarne geschonken door de politieke partijen die aan de macht zijn, want dan krijgen ze een stevige greep op de pers. Vergis u daar niet in. Vergelijk het met de afhankelijkheid van de reclame: door de crisis valt een deel van de reclame-inkomsten weg, en de pers moet mensen ontslaan. Welnu, dat kan de overheid ook met perssteun: zij draait op een gegeven moment de kraan dicht - een excuus is gemakkelijk gevonden -, en er vallen alweer ontslagen. Destijds, toen er ook een beetje crisis was en de overheid de pers hulp aanbood, schreef wijlen Frans Verleyen in zijn hoofdartikel in Knack dat hij de lezer hierbij beloofde nooit voor een gesubsidieerde krant te zullen werken, en dat hij, als Knack overheidssteun ontving, onmiddellijk ontslag zou nemen. Dat hoor je vandaag geen journalist zeggen, en dat vind ik niet erg bemoedigend. Het is waarschijnlijk een generatieverschil: Verleyen behoorde tot de generatie die wist dat er een haast vanzelfsprekende kloof bestaat tussen opiniemakers en de overheid, en dat de pers nooit mag vertrouwen op de overheid.
Dat generatieverschil verklaart, dunkt me, ook de verrassende losheid, zelfs onverschilligheid, of erger nog: compliciteit, van de pers met allerlei vrijheidsberovende maatregelen van de overheid, die in vroegere tijden - daar ben ik zeker van - door een vrijwel eensgezinde pers krachtig zouden zijn bestreden. Denk bijvoorbeeld aan de recente wetgeving, - er doorgeduwd als een soort bijdrage tot de “strijd tegen het terrorisme”, - die de politiebevoegdheden van de overheid sterk uitbreidt. Zo mag thans vrijwel iedereen zomaar worden afgeluisterd en bespioneerd, zonder dat men daar enig verhaal tegen heeft. Dat had tot een of twee, misschien wel drie decennia na de Bevrijding niet gekund. Denk ook aan de racismewetten en de wet die het zogenaamde negationisme verbiedt. De racismewetgeving is er gekomen met slechts één doel, en dat was een wettelijk middel te hebben om een partij, die leden telde die zich in het verleden aan racistische uitlatingen schuldig hadden gemaakt, door de rechtbanken te kunnen laten veroordelen. Meteen echter werd het opiniedelict ingevoerd, en de ouderen onder ons weten dat als men zich eenmaal op dit glibberige pad begeeft, een uitschuiver zich gemakkelijk kan voordoen. Toen ik student was bevatten alle ramen in de uitgaansbuurt van Antwerpen een bordje met de mededeling “Interdit aux Nords-Africains”. Iedereen vond dat normaal. Niemand protesteerde toen de CVP in de eerste kiescampagne na de oorlog Antwerpen volplakte met affiches waarop Huysmans en andere socialistische figuren afgebeeld stonden met wat toen doorging voor typische jodentrekken: dikke kromme neus, volle grijnzende lippen, u kent het wel, hoop ik, zodat ik de beschrijving ervan achterwege kan laten. Dat was in 1946, toen de verhalen van de uit concentratiekampen teruggekeerde joden al in alle kranten hadden gestaan, maar men was racistisch, precies zoals men het voor en tijdens de oorlog geweest was, en niemand nam er aanstoot aan. De CVP triomfeerde, al was dat allicht meer te danken aan de afwezigheid wegens “verhinderd” van een Vlaams-nationalistische lijst dan aan de antisemitische affiches, en ook aan het enorme aantal voorkeurstemmen dat uitgebracht werd op lijstduwer mevrouw Delwaide, die de plaats innam van haar man, oorlogsburgemeester Delwaide, door de repressie in de onmogelijkheid verkerend om kandidaat te zijn. Antwerpen veroordeelde meteen na de oorlog reeds massaal de repressie.
Verbied nooit opvattingen
Idem de wet tegen het negationisme. Een pers die haar roeping verstaat, vecht zo’n flagrante inbreuk op de meningsvrijheid aan, want als men het ontkennen van de slachting van Auschwitz strafbaar stelt, dan kan men morgen in een ander land de ontkenning van bijvoorbeeld de Onbevlekte Ontvangenis van Maria strafbaar stellen. Geschiedenis is geen exacte wetenschap, maar een die door elke generatie opnieuw wordt geschreven. De vooruitgang in de geschiedschrijving en de beleving of aanvaarding van historische gebeurtenissen zijn het resultaat van een dialectisch proces, waarbij derhalve de oorspronkelijke thesis, bijvoorbeeld wat wordt gezegd over wat er zich in Auschwitz heeft voorgedaan, door de aanwezigheid in het intellectuele debat van een antitheses, in dit geval de stellingen van het negationisme, tot een voorlopige conclusie leidt, de syntheses. Zonder antitheses kan ik nooit zeker zijn over de waarheid van de thesis. Met andere woorden: verbiedt men het negationisme, dan bestaat er door dat feit zelf geen enkele zekerheid meer over de gangbare voorstelling van de jodenvervolging.
Het is niet omdat men in een democratie leeft, en niet omdat wetten via de procedure eigen aan een rechtsstaat tot stand zijn gekomen, dat er vrijheid heerst. Opvattingen kunnen manifest onjuist zijn, maar als opvattingen blijven zij burgerrecht genieten en mogen ze wel bestreden maar nooit verboden worden, want als men daarmee begint, schept men een precedent dat door wellicht minder goed geïntentioneerde partijen en besturende elites aangewend kan worden om de grondslagen te leggen van een totalitaire staat. Gelukkig bezit het volk goede reflexen, die de pers tot voorbeeld kunnen dienen. Toen het Vlaams Blok werd veroordeeld wegens racisme, werd het bij de daarop volgende verkiezingen (in 2004) de tweede grootste partij van Vlaanderen met een kwart van alle uitgebrachte stemmen. Niemand twijfelde eraan dat dit succes te danken was aan een veroordeling wegens racisme, waar de kiezer wilde tegen protesteren. Iets soortgelijks doet zich vandaag voor in Nederland, waar de leider van de Partij voor de Vrijheid, Geert Wilders, ontzettend hoog scoort in de opiniepeilingen en zelfs, als er nu verkiezingen zouden zijn, een kans maakt om de grootste partij van het land te worden, dit omdat hij het risico loopt binnenkort een strafproces wegens racisme te ondergaan. Het volk kiest voor hen die wegens opiniedelicten van hun vrijheid worden beroofd.
Wat is tolerantie?
Men is maar tolerant als die tolerantie blijkt uit de houding die men aanneemt tegenover mensen die meningen uiten waar men het volledig oneens mee is. Er bestaat alleen meningsvrijheid als ook andere ideeën dan de uwe de kans krijgen om zich te uiten. Daar dus moet de pers werk van maken. Zij is het sterkste vehikel voor de beleving van de meningsvrijheid door de eerbied die ze aan de dag legt voor het vrij onderzoek in al zijn aspecten en gedaanten. Voor een goed functionerende democratie is een kritische pers noodzakelijk. De politieke pers mag nooit gouvernementeel zijn. Altijd moeten haar scherpste pijlen worden gericht op de machthebbers van het moment. Vooral nu, met toenemend gemak, politici van alle slag voorrang geven aan hun persoonlijke carrière boven de beloften die ze aan hun kiezers gedaan hebben en waar ze hun mandaat aan ontlenen, is grote gestrengheid vereist in de journalistieke beoordeling van de politieke klasse. Wie kiezersbedrog pleegt, ondermijnt de morele basis van het democratische stelsel. Politici die persoonlijk - in hun carrière - profiteren van kiezersbedrog, dienen overdekt met pek en veren door de pers aan de woede van de bedrogen kiezers te worden overgeleverd. Zonder kritische pers verwatert de democratie, want de kiezer wordt niet meer geconfronteerd met de leugens van de machthebbers en laat zich gemakkelijker manipuleren.
Voor een beschaafde pers
Het wordt tijd om te besluiten. Ik ben begonnen met u te vertellen dat de crisis, die ook de pers treft, een uitdaging dient te zijn om het anders te gaan doen. De oplossing ligt zeker niét in staatssteun voor de pers, want die is onverenigbaar met een vrije, kritische pers. De oplossing bestaat er wel in dat uitgevers én journalisten de tering naar de nering zetten, en beseffen dat het produceren van al de rommel aan papierverspillende katernen en bijlagen, niet de taak is van persorganen die in de eerste plaats moeten informeren. Laten de media daar opnieuw hun core business van maken en zich daarop concentreren. Laten ze terloops ook de stelregel uit de internationale kwaliteitspers opnieuw invoeren - want in Vlaanderen is men die vergeten -, dat de informatieverstrekking geheel los dient te staan van de politieke opvattingen van de redactie. En laten ze ook een beetje een redelijker waardeschaal aanleggen. Als ik lees dat de VRT vorig jaar 65 voltijdse krachten naar de Ronde van Frankrijk heeft gestuurd (Knack, 11.2.09), dan mag men zich afvragen waar de VRT het recht vandaan haalt om in deze barre tijden het belastinggeld door deuren en ramen te gooien. Laat ook dat jeunisme van tegenwoordig achterwege, en bedenk, als het u daarbij helpt, dat dit in de Europese cultuur is ingevoerd door het Italië van Mussolini. Het jeunisme, de bejubeling van de jeugd om de jeugd, is een aantoonbare erfenis van het fascisme in de Europese cultuur. Nederland bijvoorbeeld ontsnapt eraan. Het is Mike Verdrengh, een vakman zoals weinig anderen, die zegt (Humo, 20.1.09): “Televisie heeft er voor gekozen alleen nog voor jonge mensen te werken”, en met de geschreven pers is het zo mogelijk nog erger gesteld.
Kortom, laten de pers en de media in het algemeen opnieuw beschaafd worden. Ik geloof niet in de marketingbenadering, en als ik, als hoofdredacteur, tot manager van het jaar zou zijn uitgeroepen, dan had ik diepbeschaamd, met de staart tussen de benen, direct aan mijn roeping van journalist verzaakt. En aangezien ik hier gehuldigd word, weze het mij toegestaan u eraan te herinneren dat ik het bewijs heb geleverd dat het ook anders kan, en dat men ook binnen de grenzen van de meesprekende intellectuele groep commercieel verantwoorde initiatieven kan ontwikkelen die niet beantwoorden aan de journalistieke waan van de dag, die de informatie niet opleuken, die de lezer niet provincialiseren en debiliseren door de emoties onder de dorpstoren belangrijker te vinden dan wat er in de wereld gebeurt. Juist in deze tijden, met hun ook voor de journalistiek onmiskenbare nervositeit, zijn helder denken, het rustige betoog, en de poging exact te informeren, meer dan ooit nodig en noodzakelijk. Laten er in Vlaanderen velen opstaan die deze taak op zich nemen, zodat we misschien nog het genoegen mogen kennen de fakkel te hebben doorgegeven. Op die manier kan de journalistiek ook opnieuw worden dat mooiste beroep ter wereld, waarin wij beland zijn omdat het beantwoordde aan onze dromen. En als dit alles zich voordoet, zal ook de kloof gedicht worden die is ontstaan tussen pers en samenleving.
Dit is mijn boodschap
En laten we zo gauw mogelijk ook een einde maken aan de in dit land heersende collusie tussen pers en politieke elite. Het parlement functioneert al lang niet meer behoorlijk. Er bestaat nauwelijks nog enige controle op het doen en laten van de machthebbers. Daarom is het nodig dat de pers de kritische rol die van alle tijden op de schouders rust van de intellectueel, volledig vervult. Er is nul komma nul moed voor nodig om een oppositiepartij te diaboliseren, dat kan alleen de carrière bevorderen, maar een journalist die zijn taak verstaat, kiest steeds de zijde van de verworpenen der aarde, van de zwakste in de samenleving, van de oppositie tegen de besturende elite.
Martin Luther King lichtjes parafraserend, ik had een droom. Getekend door de terreur van de repressie hoopte ik mij maatschappelijk nuttig te maken, Vlaanderen tot stand te brengen, en bij te dragen tot wereldvrede en grotere beschaving. Naarmate in de jaren vijftig het landsbestuur steeds meer in handen kwam van de vooroorlogse regentenstand, en de hypocrisie hoogtij vierde ten tijde van de koningskwestie, zag ik steeds duidelijker mijn weg voor mij uitgestippeld. Naarmate de macht van het establishment groter werd, en vooral naarmate dit uit alles duidelijk bleek, naarmate Vlaanderen mede door eigen naïviteit de oorlog tegen België dreigde te verliezen, koos ik tegen de macht, voor de tegenmacht, de dissidentie, wars van alle taboes, wars van alle politieke correctheid, links als de macht bij rechts berustte, rechts als links in cultuur en media een greep naar de absolute macht had gedaan en elke dissidentie bestreed met de wapens van de totalitaire ideologie van de politieke correctheid. De goede journalist mag nooit behoren tot de Sprachherrschaftsklasse, zoals de Duitse socioloog Helmut Schelsky ze omschreven heeft. De macht heeft macht genoeg. Je moet haar niet helpen, of juister: jazeker, help haar, maar dan wel door al haar daden, al haar bedrog ook, al haar manipulatie, haar zelfgenoegzaamheid, te analyseren, zo nodig aan te klagen en te bestrijden, - en dit te doen door in werkelijkheid weinig andere dan fatsoenseisen te stellen, uiteraard wel beseffend dat soms woede een goede zaak is.
Zo, de journalistiek moet zich heruitvinden. Dat is mijn boodschap. Ik ben u zeer erkentelijk voor uw waardering en in het bijzonder voor de prijs die u mij hebt toegekend. Ik hoop dat ik in 52 jaar beroepsarbeid aan de verwachtingen heb beantwoord die aan een vrije Vlaming mogen worden gesteld. Blijft standvastig, blijft de ervaringen van uw jeugd getrouw. Gaat tegen stroom in, en blijft geloven in - een vrije pers in een vrij Vlaanderen.
Auteur: © Mark Grammens
Dit dankwoord verscheen eerder in Journaal, de Nieuwsbrief van Mark Grammens (Nr. 545 - 12 maart 2009).
Reacties: 1
Ik was aanwezig op de uitreiking zelf en ben nu nog steeds onder de indruk van deze scherpe analyse. Knappe tekst !


rss

















