Blog - Nieuwe media, nieuwe journalisten

Nieuwe media, nieuwe journalisten
De ontwikkeling van nieuwe technologie heeft van elk individu een potentiële journalist gemaakt. Vele duizenden burgers zijn buiten de klassieke media ‘nieuws’ beginnen produceren, via al dan niet geraadpleegde blogs. Zijn dat nu allemaal ook ‘journalisten’ geworden? Mét perskaart?
Eigenlijk is de goede vraag niet wie ‘journalist’ is of kan zijn. ‘Journalist’ kan immers iederéén zijn. De term houdt gewoon in dat men zich op de een of andere wijze bezighoudt met het verslaan van nieuws voor een publiek. Journalistiek = actualiteitsverslaggeving van dingen die gebeuren, met desgevallend een scheut duiding en opinie erbij. De term stamt uit de premoderne tijd dat er nog dagelijks (journalier) aan actualiteitsverslaggeving werd gedaan. Een beetje ironisch is het wel dat net de nieuwe media, die zweren bij instantnieuws en zich aan geen enkele frequentie - laat staan een dagelijkse - willen binden, nu zo graag uitpakken met het lichtelijk archaïsche predikaat.
Hoe dan ook: op het bedrijven van journalistiek staat geen enkele rem. Dat is al van in het prille begin plechtig gedeclareerd door zowel politieke als gerechtelijke instanties in het land. Telkens was de overweging dat de persvrijheid uiteindelijk iedereen toebehoort. In een ruk door kan iedereen zich ook vrijuit ‘journalist’ noemen, zo staat in arresten van onder meer de Raad van State en het Grondwettelijk Hof. Niemand - ook geen beroepsgroep - komt het toe om zich de term ‘journalist’ als titel toe te eigenen.
Een student die zich profileert als ‘journalist’ van het schoolblad? Kan. De woordvoerder van een bedrijf of politieke partij die zichzelf ‘hoofdredacteur’ van het bedrijfs- of partijmagazine noemt? Kan even goed. Een blogger die het internet opgaat als ‘journalist’ met ‘nieuws’? Ook daar is geen enkel formeel bezwaar tegen mogelijk. Dat zal niet bij iedereen in goede aarde vallen. Bij voorbeeld niet bij mensen die journalistiek hebben gestudeerd of in de journalistiek hun brood moeten verdienen. Maar het is wel zo. De persvrijheid, zo willen het de Belgische wet en gewoonte, behoort iedereen toe.
De vraag is dus niet wie allemaal journalist kan zijn, de vraag is wel of alle journalisten dan maar gelijk aanspraak kunnen maken op een perszitje in het parlement of op een voetbaltribune? Moeten alle journalisten - van Siegfried Bracke tot de kleinste blogger - een evenwaardig beroep kunnen doen op het journalistieke bronnengeheim dat de wet bepaalt? En kunnen ook redacteuren van de site Clint.be het voorrecht claimen door een jury te worden berecht wanneer ze worden aangeklaagd voor laster of eerroof?
De vraag is met andere woorden: kunnen alle journalisten in dezelfde mate aanspraak maken op gelijke faciliteiten die hen het werk makkelijker maken? De digitalisering en de bijhorende opkomst van nieuwe media en bloggende burgerjournalisten hebben die kwestie een stuk prangender gemaakt. Op meer en meer persconferenties en perstribunes rollen verslaggevers – klassieke en postmoderne – over elkaar heen. Niet enkel bloggers trouwens, maar tegenwoordig ook meer en meer twitteraars. Met 21.703 zijn ze in Vlaanderen alleen al, zo leert een telling van de onafhankelijke blog blogoloog.be begin 2010.
Perskaart
België bestaat sinds 1963 een vrij uniek wettelijk systeem om journalisten van elkaar te onderscheiden. De kern ervan is dat journalisten die voor algemene nieuwsmedia werken en dat op professionele wijze doen, een officieel statuut kunnen krijgen waaraan welbepaalde werkfaciliteiten vasthangen. Dat statuut van ‘beroepsjournalist’ is momenteel weggelegd voor om en bij de 4.500 journalisten, van wie de zeer ruime helft voor Vlaamse media werkt. De titel ‘beroepsjournalist’ is in tegenstelling tot de term ‘journalist’ wél een wettelijk beschermd begrip, te vergelijken met dat van ‘advocaat’ of ‘dokter in de geneeskunde’. Van de faciliteiten van beroepsjournalisten springt de officiële perskaart het meest in het oog. Traditioneel doet die toch wel wat deuren opengaan voor de houder ervan.
Toch wordt het statuut voor de duidelijkheid niet door de overheid zelf toegekend aan de individuele journalist. Hij of zij krijgt het wel (of als men niet aan de voorwaarden voldoet: niet) van een onafhankelijke Erkenningscommissie, die uitsluitend figuren uit de mediasector zelf omvat. Een mooi geval van zelfregulering dus. En met een automatische overheidserkenning erbovenop. Buitenlandse journalisten benijden ons ervoor, en ze hebben gelijk.
Het is niet omdat de wet op de erkenning van beroepsjournalisten uit de zestiger jaren dateert dat ‘nieuwe media’ buiten haar reikwijdte zouden vallen. De Erkenningscommissie heeft van meet aan ook online journalisten erkend als ze aan de voorwaarde van professionaal werken voor een algemeen nieuwsmedium voldoen. “Bij het invullen van het begrip ‘medium’ moet rekening worden gehouden met de technische evolutie”, is beslist. “Zo komen ook nieuwssites op het internet – althans wanneer ze algemene berichtgeving verstrekken aan een algemeen publiek – in aanmerking.” Het verklaart waarom intussen tien jaar geleden plotseling ook journalisten van Planetinternet en Café belge werden erkend als beroepsjournalist (twee projecten die zoals bekend intussen digitale geschiedenis vormen). En waarom een beroepsjournalist vandaag even goed voor deredactie.be en hln.be kan werken als voor Het journaal en Het Laatste Nieuws.
Professionaliteit
Voor nieuwe media en journalisten knelt het schoentje echter elders. Want wie garandeert dat al die informatieve sites, nieuwsblogs en twitteraccounts echt ook authentieke nieuwsmedia zijn? Die vraag stelde zich vroeger ook al, in het klassieke printmediatijdperk, en de Erkenningscommissie had ze toen ook al beantwoord. Het resultaat is dat diverse media van het erkenningsbeleid worden uitgesloten: media van openbare instellingen; interne, ledengebonden media van partijen, verenigingen, bedrijven en andere organisaties; en media “waarvan het informatieve aspect slechts als dekmantel dient voor een andere activiteit”. Verder worden ook media die voor de helft of meer uit reclame bestaan niet als ‘nieuwsmedium’ aangerekend.
Alles bijeen sluit dat toch al een hele hoop van de naar schatting 20.000 actieve blogs in Vlaanderen uit. Het is ook de reden waarom de VVJ, die voorafgaand aan de Erkenningscommissie al stagiair-beroepsjournalisten kan aanvaarden, op zeker ogenblik weigerde om medewerkers van www.zattevrienden.be een statuut toe te kennen. Met name de link met een bepaalde seksbusiness was er iets te duidelijk om te negeren.
Maar nog een andere erkenningsvoorwaarde zorgt voor een stevige schifting onder journalisten in het digitale tijdperk. Die is dat ook de journalist zelf professioneel met de zaken bezig moet zijn. Concreet wordt van hem verwacht dat journalistiek zijn hoofdberoep vormt, én dat hij – teneinde zijn onafhankelijkheid te vrijwaren – geen commerciële nevenactiviteiten ontplooit. De Erkenningscommissie legt de lat voor het vereiste inkomen klassiek op het wettelijke minimummaandloon, of momenteel zowat 1.400 euro bruto per maand.
Het lijdt geen twijfel dat zowat alle (nieuws)bloggers hier struikelen. Althans in Vlaanderen is er nog geen haalbaar businessmodel gevonden voor nieuwsblogs buiten de traditionele media. Zelfs een bijzonder verdienstelijke blog als LVB.net – van webpionier en vrijdenker Luc Van Braekel – haalt te weinig omzet om er een journalist van te laten ‘leven’. Dat leert Van Braekel ons althans zelf, door op zijn blog inzage te geven van de inkomsten die hij realiseert. Die komen uitsluitend van reclame, en klommen van € 1.500 in 2005 wel tot € 7.800 in 2008, maar voldoende voor het officiële statuut van beroepsjournalist is dat dus nog altijd niet.
Klopt het dan toch dat een blog pas rendabel wordt wanneer er een slim reclamepaneel van wordt gemaakt? Hoe dan ook blijft de vaststelling reëel: onder zuivere internetjournalisten treffen we tot nader order nauwelijks professionelen aan; zowat de enige uitzonderingen betreffen Indymedia.be en Kerknet Vlaanderen. Beroepsjournalisten treffen we daarentegen wel aan – en meer en meer – bij internetjournalisten die werken in multimediahuizen. Laat dat nu net de klassieke mediahuizen zijn.
Waarborg voor kwaliteit
Conclusie: het bestaande wettelijke erkenningssysteem laat toe een onderscheid te blijven maken tussen 4.500 ‘beroepsjournalisten’ en (ruwe schatting) 20.000 bloggers die op zeker ogenblik ook binnen willen op een persconferentie van de premier. Of op de perstribune van het Koning Boudewijnstadion. Of aan de eindmeet van de Ronde van Vlaanderen.
Het is al te makkelijk om die selectie als ‘korporatistisch’ af te doen. Ongetwijfeld komt ze de beroepsgroep van professionele journalisten ten goede, maar langs die weg krijgt ook het brede publiek garanties op een goede nieuwsbediening. Voorwaarde voor een erkenning als beroepsjournalist blijft nu eenmaal dat men professioneel voor een algemeen nieuwsmedium werkt. En door de Erkenningscommissie wordt daar stevig de hand aan gehouden.
Overigens is hiermee nog niets gezegd over een faciliteit zoals het sinds 2005 wettelijk gewaarborgde bronnengeheim van de journalist. Niemand minder dan het Grondwettelijk Hof zei hierover dat het aan alle ‘journalisten’ toekomt, dus aan iedereen die nieuws verslaat voor een publiek, en dus ook aan nieuwsbloggers.
Ook het journalistieke voorrecht om bij vermeende laster of eerroof door een assisenjury te worden berecht, valt aan méér journalisten toe dan enkel erkende beroepsjournalisten. Daarop wijzen althans diverse gerechtelijke uitspraken. Het voordeel is aanzienlijk: men vermijdt een proces voor een correctionele rechter, en vaak vermijdt men sowieso een proces omdat justitie de confrontatie met een assisenjury over een perszaak liefst uit de weg gaat.
Maar een extra bescherming tegen opsporingspraktijken van de inlichtingendiensten krijgen bloggers dan weer niet. Volgens een nagelnieuwe wet kunnen enkel erkende beroepsjournalisten erop rekenen dat ze slechts in hoogste nood door spionnen zullen worden gesurveilleerd. Dat wil zeggen: slechts wanneer ze hoogstpersoonlijk van staatsbedreigende activiteiten worden verdacht. Zo ver gaat de gelijkschakeling tussen ‘oude’ en ‘nieuwe’ journalisten dus weer niet.
INTERNET DOET OOK GESPECIALISEERD NIEUWS EXPLODEREN
De informatie-explosie die met de digitale revolutie gepaard ging, heeft niet enkel een boost gegeven aan ‘algemene nieuwsmedia’ maar nog meer aan gespecialiseerde informatieplatformen. Van gitaren over moutainbikes en eekhoorns tot de Eiffeltoren: je moet al van ver komen om er géén min of meer deugdelijke informatieve website over te vinden.
Traditioneel maakt de Belgische wet een onderscheid tussen ‘algemene’ en ‘gespecialiseerde’ nieuwsmedia (de laatste worden nog altijd archaïsch als ‘periodieke pers’ in de wet omschreven). En ook de professionele journalisten die er werken worden in twee categorieën verdeeld. Terwijl professionele journalisten bij algemene nieuwsmedia ‘beroepsjournalisten’ worden genoemd, worden professionele journalisten die voor gespecialiseerde media werken als ‘journalist van beroep’ erkend. What’s in a word? Vandaag zijn beroepsjournalisten (aantal: 4.500) en journalisten van beroep (zij zijn met ongeveer 500) het erover eens dat het onderscheid compleet uit de tijd is. Hun respectievelijke beroepsverenigingen werken dan ook stapsgewijs aan een integratie van beide beroepsstatuten. De uiteindelijke bedoeling is te komen tot nog één wettelijk statuut voor alle professionele journalisten, ongeacht of ze voor een algemeen dan wel gespecialiseerd nieuwsmedium werken.
Tot een aanzienlijke vermeerdering van het aantal erkende journalisten heeft de digitalisering overigens niet geleid, ook niet aan de kant van de gespecialiseerde ‘journalisten van beroep’. Dat komt omdat voor hen, zoals voor de ’algemene beroepsjournalisten, de wettelijke erkenningsvoorwaarde van professionaliteit geldt. En dan mogen welbepaalde gespecialiseerde sites op het eerste gezicht rendabel ogen, het grote geld valt op het web ook met dit soort informatie doorgaans nog niet te verdienen.
Auteur: Pol Deltour
Dit stuk verscheen in De Journalist, het magazine van de Vlaamse Vereniging van Journalsiten
Reacties: 3
In elk geval: deze categorie journalisten valt buiten de klassieke categorieën die hier aangehaald worden. Maar ook voor deze journalisten bestaan er vakverenigingen waar men, indien men aan de journalistieke voorwaarden voldoet, erkend kan worden als journalist. Helaas opent deze erkenning niet dezelfde deuren als de erkenning als beroepjournalist of journalist van beroep, en krijgen deze journalsiten niet dezelfde voordelen (korting of gratis openbaar vervoer, automatische toegang tot bepaalde evenementen, enz.).
Tot daar toe. Maar volgens dit artikel zouden deze journalisten ook nog eens niet hetzelfde recht hebben om een persconferentie bij te wonen als de beroepsjournalisten of de journalisten van beroep. En dat lijkt mij toch echt wel ingegeven tot een reflex om de eigen aangesloten leden te beschermen tegen de "concurrentie", en dat zou eigenlijk wel korporatisme genoemd mogen worden.
Mijn persoonlijke mening.
Hilde Van Gool
Freelance journaliste
Uitgever e-zine www.netties.be
1. Ik zou me niet meteen zorgen maken dat er morgen ineens 20.000 bloggers op de persconferentie van de premier binnenvallen. Slechts een heel klein deel van de Belgische bloggers (ook al zijn dat er overigens een pak meer dan 20.000…) voelt zich volgens mij geroepen om zichzelf journalist te noemen. De meesten moeten ook gaan werken als er de meeste persconferentie plaatsvinden, dat helpt ook al.
2. Veel persverantwoordelijken zouden maar wat blij zijn dat er wat meer bloggers naar persconferenties kwamen. Journalisten hebben daar namelijk steeds minder tijd voor. Uit onderzoek dat we vorig jaar hebben uitgevoerd (zie http://is.gd/7DDr0) publiceert slechts 4,6 procent van de Belgische journalisten meer dan tien keer per maand een artikel of reportage op basis van een persconferentie. Het aantal lege zitjes is hoogst ontmoedigend...
3. Persverantwoordelijken betrekken steeds vaker bloggers in hun communicatie-activiteiten. Vaak gebeurt dat op een ander tijdstip dan de professionele pers – vooral 's avonds, bijvoorbeeld – en ook de aanpak is enigszins anders, maar het hoort er wel bij. Daardoor moet je natuurlijk kunnen begrijpen dat die – nogmaals: schaarse – semi-professionele blogger-journalisten al eens toegang willen tot een "klassiek" persevenement. In de Angelsaksische pers is dat bijvoorbeeld al schering en inslag, en ik hoor de journalisten daar eigenlijk niet teveel over klagen.


rss

















