Blog - De vergeefse roep om overheidssteun voor de Amerikaanse journalistiek

De vergeefse roep om overheidssteun voor de Amerikaanse journalistiek
Het dramatische verval van de Amerikaanse dagbladpers en de forse bezuinigingen op de nieuwsredacties van radio en televisie, hebben in de VS een beweging op gang gebracht, die lijnrecht ingaat tegen alles waar de mediacultuur in dit land sinds het begin van de twintigste eeuw voor staat. Haar boodschap: nu het commerciële model niet meer werkt, zullen de overheid en andere fondsen en instellingen hun verantwoordelijkheid moeten nemen om de kwaliteitsjournalistiek als publiek goed in stand te houden. Free Press, een onafhankelijke stichting die de journalistiek wil versterken, droeg afgelopen dinsdag nieuwe munitie voor deze campagne aan, in de vorm van een internationaal vergelijkende studie over de financiering en bescherming van onafhankelijke journalistiek.
Waarom accepteren we van bedrijven wat we onder geen beding van de overheid zouden aanvaarden, zo vroegen Robert McChesney en John Nichols zich vorig jaar vertwijfeld af in hun veelbesproken boek The Death and Life of American Journalism – The Media Revolution That Will Begin the World Again? Stel je voor, dat de regering zou besluiten dat journalistieke redacties gehalveerd moeten worden, correspondenten ontslagen en regionale redacties ontmanteld, en dat de media zich voortaan moeten richten op lichter nieuws, beroemdheden en sport – dan zou er een storm van protest zijn opgestoken ‘that made Watergate look like a day at the beach’.
Publiek goed
Journalistiek, zo luidde hun argument, is een publiek goed, net als onderwijs en gezondheidszorg: een goede informatievoorziening ligt aan de basis van de democratie. Zo wisten de Amerikaanse founding fathers al. De journalistiek, betogen McChesney en Nichols, verdient het niet overgeleverd te zijn aan grote commerciële bedrijven, die sinds de jaren tachtig hebben bewezen vooral uit te zijn op verhoging van het rendement en de journalistiek daartoe letterlijk hebben uitgekleed – met dramatische gevolgen. Een ander, niet commerciële inbedding is nodig, niet om de oude media in stand te houden, maar om het voortbestaan van kwaliteitsjournalistiek te garanderen.
Nu hebben verschillende grote fondsen en universiteiten de laatste jaren initiatieven ontplooid om de onafhankelijke journalistiek te versterken – zoals de Knight Foundation, het Pew Research Center, het Nieman Journalism Lab en ProPublica. Dit zijn mooie en belangrijke initiatieven, maar uiteindelijk zijn ze natuurlijk niet meer dan druppels op de gloeiende plaat van de massaontslagen en opheffingen van titels en redacties. Vanuit de wetenschap en de journalistiek klinkt daarom sinds een paar jaar een steeds luidere roep om een actieve ondersteuning door de overheid. De redenering daarachter is dat serieuze journalistiek een publiek goed is, waarom de lokale overheden, de staten en de federale regering zich evenzeer zouden moeten bekommeren als om het onderwijs, onder meer door uitbreiding en versterking van de publieke mediasector, ter aanvulling op de krimpende commerciële sector.
Strategisch onderzoek
Free Press, een onafhankelijke instituut voor hervorming van de media en de journalistiek, heeft deze kwestie tot een van haar speerpunten gemaakt, zoals twee jaar geleden al bleek uit haar rapport Saving the news. Daar is deze week een tweede rapport bijgekomen, Public Media and Political Independence: Lessons for the Future of Journalism from Around the World, van de hand van Rodney Benson en Matthew Powers van New York University. (zie document onder artikel)
Public Media is, wat je noemt, een zuiver strategisch onderzoek, een medicijn tegen de allergische reactie van politici en burgers, die bij ‘overheid’ en ‘media’ bevangen worden door visioenen van een naderende dictatuur. Aan de hand van een analyse van de situatie in veertien landen, waaronder Engeland, Nederland, Japan en de Scandinavische landen, laten Benson en Powers zien dat publieke media en goedfunctionerende democratieën prima samen kunnen gaan. In het rapport wordt uitvoerig ingegaan op de verschillende organisatievormen, de check and balances, de bescherming van de journalistieke autonomie en de regelgeving met betrekking tot de publieke verantwoording.
In al deze landen blijken de publieke media in vrijheid te kunnen opereren, terwijl de winst vanuit journalistiek oogpunt evident is: publieke media, aldus het rapport, leiden tot een grotere diversiteit in genres, lagere drempels voor afwijkende standpunten, een breder bereik en meer ruimte voor ‘public affairs’ programma’s. Uit eerder onderzoek bleek bovendien dat de bevolking in landen met sterke publieke media beter geïnformeerd zijn – en dat geldt dan met name voor de lager opgeleiden groepen.
Draagvlak
Of dit rapport – en de hele campagne ter bevordering van een actievere rol van de centrale en lokale overheid – enig resultaat zal boeken is zeer de vraag. Het pleidooi zal niet alleen stuiten op koudwatervrees voor aantasting van de First Amendment, waarin de vrijheid van meningsuiting is vervat, maar ook als overbodig worden gezien. Een visie die de machtige mediaconglomeraten met verve zullen uitdragen mocht het ooit zover komen. Het futiele bedrag van 1,46 dollar dat de VS per hoofd van de bevolking uitgeven aan publieke media (tegenover 131 dollar in Duitsland), zullen velen als een badge of honor beschouwen, spotte Ellen Goodman, een mediajuriste van Rugers University tijdens een debat bij de lancering van het rapport.
Ook al steunt pakweg de helft van de Amerikanen de publieke lokale en regionale radio- en televisiestations van PBS en NPR, ze voelen daarbij absoluut niet hetzelfde als Europeanen bij hun nationale omroepen. Goodman toonde zich daarom bijzonder sceptisch over de kansen van de hele campagne: niet alleen ontbraken de politieke wil en het maatschappelijk draagvlak, ook het sterk gedecentraliseerde Amerikaanse medialandschap zou de uitvoering van zo’n politiek in de weg staan. Als het gaat om nieuwe eigendoms- en verdienmodellen, zou daarom beter kunnen worden ingezet op niet-commerciële private instellingen, of op mengvormen van publiek en privaat.
Dat het pessimisme van Goodman – dat klaarblijkelijk door vele aanwezigen werd gedeeld – gerechtvaardigd is, bleek een paar dagen eerder in Washington, waar de Republikeinse meerderheid het voorstel deed om ook die armzalige $ 1,46 te schrappen, ofwel: het gehele budget van vierhonderd miljoen dollar dat de federale overheid uitgeeft aan vooral publieke locale en regionale televisie en radio. Voor de 354 bij PBS aangesloten televisiestations betekent dit, dat zij 20% van hun inkomsten zullen kwijtraken. De kans is bovendien niet uitgesloten dat deze omroepen ook nog te maken krijgen met de ingrijpende bezuinigingen in de afzonderlijke staten.
De conclusie is onontkoombaar: de lucht boven het journalistieke landschap in de VS kleurt alsmaar donkerder. Natuurlijk zijn er nog uitstekende kranten en omroepen, zijn er tal verfrissende initiatieven en ontwikkelingen – vooral op het web, dat in dit rapport wel erg buiten beeld bleef – maar je begint je inderdaad wel af te vragen, wat er uiteindelijk zal overblijven van de professionele journalistiek, vooral op lokaal en regionaal niveau.
public-media-and-political-independence
Auteur: Frank van Vree
Dit artikel verscheen eerder op DeNieuweReporter.nl


rss

















