Blog - "Een vakman wil de beste zijn, een leek vooral de grootste"

"Een vakman wil de beste zijn, een leek vooral de grootste"
In zijn tweede boek over het journalistieke ambt, Nieuws, dat verzin je niet, roept Karel van den Berg journalisten op een meer creatieve en commerciële ingesteldheid aan de dag te leggen bij het uitvoeren van hun job.
Niet voor niets geeft hij het boek de ondertitel manifest voor het journalistieke idee mee. Het is een oproep voor vakmanschap dat zich onderscheidt van amateurisme, een pleidooi voor creatie in plaats van reproductie. Originele ideeën zijn niet alleen de basis van goede journalistiek, ze zijn ook de enige levensvatbare toekomst ervan.
Nieuws, dat verzin je niet is ook de naam van Mediacafé#9 dat plaatsvindt op 10 maart in Gent en waar Karel van den Berg zal komen spreken.
Om u alvast warm te maken, volgen hier de eerste zinnen van het boek: het woord vooraf.
Vooraf
‘Een vakman wil de beste zijn, een leek vooral de grootste.’
Jaap Peters*
Dit boek is een preek voor eigen parochie. Het gaat over journalistiek, het is geschreven door een journalist, het is bedoeld voor journalisten (in spe).
Tot zover de objectiviteit.
Toch dient de preek een belang dat de eigen parochie overstijgt. Met journalistiek is immers een veel groter goed gemoeid dan alleen de sector zelf. Zeker, de handel in nieuws moet brood op de plank brengen. Zoals in elke bedrijfstak is het bestaansrecht van journalistiek deels economisch van aard. Deels, want journalistiek is ook een factor van maatschappelijk, cultureel en politiek belang, onmisbaar in een open, vrije samenleving, in een gezonde democratie. Daarom gaat het lot van de professionele pers iedereen aan.
Gelieve dit boek dan ook tevens te lezen als mijn manifest tegen het capitulisme: de journalistieke hang naar lijdzaamheid bij economische recessie, de defensieve reflex of gelatenheid bij technologische turbulentie, overstelpend massa-amateurisme als bloggen en burgerjournalistiek, maatschappelijke druk of politieke tegenwind. Dat capitulisme herken je aan de neiging om als sector te somberen, om de journalistiek als factor te relativeren, veelal met argumenten die de woorden ‘nu eenmaal’ bevatten.
Dit boek is ook een manifest voor journalistieke oorspronkelijkheid, voor originele ideeën en tegelijkertijd voor terugkeer naar het basisidee waar het in de journalistiek om was begonnen.
Dat is een kwetsbare opstelling, dat besef ik. Journalistieke zieners kondigen immers alvast het eind aan van die traditionele pers. Digitale koplopers en mediagoeroes mogen de journalistiek graag wegzetten als residu van een voorbije beschaving.
Neem online-strateeg Jaap Stronks (bureau Johnny Wonder): ‘En als je toch wilt nadenken over de toekomst van de journalistiek (ik meld me alvast af), besef dan dat het begrip journalistiek een normatief, ideologisch construct is, en tientallen achterhaalde veronderstellingen over publieke communicatie in zich draagt, over distributie, de rol van en relatie met de gebruiker, de professionele status, de relatie tot voorlichters en organisaties, enzovoort. Beter maar niet aan beginnen – zeker niet wanneer het je niet om de beroepsgroep of mediasector te doen is, maar om de toekomst van publieke communicatie, het publieke debat, het gemeenschappelijk belang.’**
Stronks’ redenering vereist dat je óf tegen journalistiek gekant bent óf het vak reduceert tot een willoos doorgeefluik van gebeurtenissen, persberichten en uitspraken door types en instanties met macht. Alleen dan kun je alle publieke communicatie over één kam scheren – en alle journalistiek is weliswaar publieke communicatie, maar niet alle publieke communicatie is journalistiek. In die journalistieke onafhankelijkheid zit hem nou net dat cruciale waardeverschil voor het gemeenschappelijke belang.
De kritiek ademt een irrationeel soort afkeer die je doet afvragen: wat is er gebeurd in je leven? Waar komt die vijandelijkheid vandaan? Kun je niet gewoon online-strateeg zijn náást de journalistiek? Heb je er dan zo veel last van?
Als journalist heb ik op mijn beurt niets tegen online-strategen. Die mensen moeten er waarschijnlijk ook zijn. Misschien ligt de verklaring van Stronks’ vijandelijkheid in het feit dat hij zichzelf als online-strateeg verhuurt aan een politieke partij en andere organisaties die nou juist worden gecontroleerd door onafhankelijke journalistiek.
Toch is het alsof je een snackbarhouder afschaffing van groenten hoort bepleiten omdat hij dagelijks louter mensen tegenkomt die hem aantonen dat De Mensen kennelijk gefrituurd aardappelzetmeel en quasi vleesproducten met vetsaus prefereren boven vezels en vitaminen. Hij verdedigt zijn stelling met het bestaan van rotte groenten en slechte groenteboeren. En inderdaad, die heb je óók, net als slechte journalisten. Net als slechte snackbars, trouwens, en waarschijnlijk zijn er ook wel slechte online-strategen.
Intussen bevragen te weinig journalisten dergelijke onheilsprofeten kritisch. Dat zou je toch niet verwachten van journalisten. Alsof ze bang zijn om met een defensieve houding het gelijk van die profeten aan te tonen, zo lijkt het: dat we inderdaad een levende opgraving zijn. En als journalisten nou ergens hun overbodigheid mee bewijzen, dan is het met het verzuim kritische vragen te stellen.
Dus dat is niet handig. Temeer omdat diezelfde doemscenaristen er zelf al vaak naast hebben gezeten met hun voorspellingen – de papieren krant had er, geloof ik, al niet meer moeten zijn – en ze zelf ook verzuimen het tij te keren. Nieuwemediagoeroes, whizzkids, masters of business administration, techneuten, marketeers en durfkapitalisten hebben hun kansen gehad – en veelal verspeeld, door bedrijfsblindheid, onmachtig patroondenken, domme pech, journalistiek onbenul, schrale desinteresse of zelfs botte onwil. Of ze geven tips in de trant van: doe zus en zo, maar dan moet je wel wat onafhankelijkheid prijsgeven. Ja, zo kan ik het ook. Dan is het alleen geen journalistiek meer.
Toch is het antwoord op de schuldvraag iets anders dan de oplossing voor problemen. Laten we de diagnose niet verwarren met de remedie.
Bovendien: ‘ze’ hebben het niet alleen gedaan, journalisten hebben er zelf bij gestaan en ernaar gekeken, kansen gepakt noch gecreëerd. Het blijkt sowieso moeilijk om buiten de eigen kring bondgenoten te vinden in een onafhankelijkheidsstrijd, al helemaal met een ingebakken kritische houding. Maar die onafhankelijkheid en vrijheid – de pijlers onder betrouwbaar nieuws – zijn te vaak misbruikt als een schuilplaats tegen verantwoordelijkheid.
Over ingebakken gesproken – mijn zwager Fred is kok met steevast een Bib Gourmand in de Michelingids. Een vakman. Nooit van plan geweest zijn passie op te geven nu iedereen kan koken. Fred reageert met beroepstrots op verschijnselen als magnetron, thuiskok en kookclub. Hij gebruikt nieuwerwetse apparaten zelf ook en behoudt intussen de voorsprong van de meester-kok.
Ik neem graag een voorbeeld aan hem. Verwacht van mij dan ook niet dat ik het einde van de professionele journalistiek afkondig dankzij de komst van het modem, het weblog en de burgerjournalist – de amateur dus.
Net als Fred besef ik wel dat de vakman eer in onderscheidende kwaliteit moet leggen. Naarmate onze klandizie meer smaak ontwikkelt, maken we haar steeds minder wijs. Sterker, ze kan beter dan ooit kwaliteit vergelijken, herkennen en ook waarderen. Ik proef dat Fred vele malen beter kookt en daarom eet ik graag bij hem. Het domste wat journalisten kunnen doen, is dan ook op de amateur of andere communicatoren gaan lijken. In één pot nat verdrinkt je reden van bestaan.
Laten we onze klant aan onze kant houden of weer krijgen – ons publiek, dat ook burger is, en kiezer, belastingbetaler, consument, sportliefhebber, cultuurminnaar, blogger en… Hoe? Er zit niets anders op dan onze menukaart en de entourage, de inhoud en de vorm, te blijven verbeteren. We moeten als vakmensen een voorsprong houden op de thuisjournalist, met onderscheidende ideeën en om wat belangrijk is relevant en interessant te maken – in Freds termen: gezonde topgerechten onweerstaanbaar opdissen.
De journalistieke ideeën die we daarvoor nodig hebben, daar gaat het om in dit boek. In de wetenschap dat ideeën nooit vooraf succesgaranties bieden. De enige zekerheid is dat we het zónder ideeën in elk geval niet redden. Dat maakt creativiteit een nauwelijks te overschatten bestanddeel van ons vakmanschap. De hoogste tijd dus voor kansrijker journalistiek denken. Want er is heel veel nieuws onder de zon. En met Nico Drok vind ik: ‘Fatalisme kan altijd nog.’***
*Jaap Peters & Judith Pouw (2004), Intensieve menshouderij – Hoe kwaliteit oplost in rationaliteit, Scriptum Management, Schiedam.
**'Journalistiek, de paardloze koets van de 21e eeuw’, weblog www.jaapstronks.nl, blog 22 september 2010.
***Nico Drok (2007), ‘De journalistieke biotoop’, in De toekomst van de journalistiek, Uitgeverij Boom, Amsterdam.
Nico was directeur van de Christelijke Academie voor de Journalistiek in Kampen toen ik daar in 1986 begon. De opleiding is intussen verhuisd naar Zwolle, heet nu Windesheim School of Media en Nico is er tegenwoordig lector en hoofddocent.
Auteur: Karel van den Berg
Karel van den Berg schreef twee boeken over journalistiek en creativiteit:
- Bedenk eens wat nieuws: Handboek voor journalistieke ideeontwikkeling
- Nieuws, dat verzin je niet: Manifest voor het journalistieke idee


rss

















