Blog - Dit was geen media-inquisitie

Dit was geen media-inquisitie
Is de pers te ver gegaan in de zaak-Van Den Driessche en de zaak-Ghysen? Walter Zinzen vindt van niet.
Daar stonden ze weer de afgelopen dagen, fier als pauwen, te pronken met hun prachtige veren, de heren (geen dames) politici en sommige advocaten die de staf braken over de media. Soms met begrip voor de slachtoffers van machtsmisbruik, vaker met begrip voor de daders, af en toe met nauwelijks verholen minachting voor de zeurende vrouwen met hun geringe geloofwaardigheid. Maar allen met dezelfde boodschap: het komt de media niet toe mensen te veroordelen. Slachtoffers van ongewenste intimiteiten moeten zich niet tot de media wenden maar tot de rechter. De media gedragen zich als een hedendaagse inquisitie en richten zelfs lynchpartijen aan.
Hebben zij gelijk? In principe natuurlijk wel. Zelf erger ik me ook aan het almaar opschuiven van de grens tussen wat privé hoort te zijn en wat openbaar is. Wat hebben wij , buitenstaanders, te maken met het liefdesleven van wie van ver of dichtbij iets met de ‘parachutemoord' te maken had? Of met de sms-jes van Yves Leterme? De rol die de media in deze en andere zaken gespeeld hebben vind ik meer dan kwalijk.
Maar dit keer? De stortvloed aan getuigenissen die op de affaire-Van Den Driessche is gevolgd is toch van een heel ander allooi dan het gegluur in andermans slaapkamer.
Als Leterme dames het hof maakt, zonder dwang te gebruiken, en als dat zijn functioneren als minister niet in het gedrang brengt, dan heeft het grote publiek daar geen enkele boodschap aan. Als daarentegen welke baas dan ook in welk bedrijf dan ook een vrouwelijk personeelslid ongewenst bepotelt of tot een seksuele relatie tracht te dwingen, dan hebben we te maken met een zaak van eminent maatschappelijk belang. Want met arbeidsverhoudingen hebben we allemaal te maken en allen willen we dat die op zijn minst ons welzijn niet in de weg staan. Ik neem aan dat ook de kritische meesters in de rechten, zeker als ze in bijberoep de politiek beoefenen, de relevantie van deze problematiek inzien.
Bovendien hebben de media — voor zover ik het kan overzien — vrij fatsoenlijk geopereerd en het principe van hoor en wederhoor correct toegepast.
Maar hier en daar heerst, al dan niet geveinsde, paranoia bij de mediacritici.
Als een bisschop wordt beschuldigd van kindermisbruik zien sommige katholieken er een aanval op hun Kerk in. Als een politicus het hard te verduren krijgt ziet zijn partij er een politieke afrekening in. Als een voormalige radiocoryfee het mikpunt is van beschuldigingen, gaat het om een relatie waar de media niets mee te maken hebben. Op de grond van de zaak hoeft men dan niet verder in te gaan.
Blijft de vraag waarom al degenen die klachten hebben over de heren Vangheluwe, Van Den Driessche en Ghysen naar de media en niet naar de rechter zijn gestapt. Advocaat Van Steenbrugge hield in Terzake vol dat het gerecht in de zaak van kindermisbruik in de Kerk goed werk verricht. Maar zou het gerechtelijk onderzoek er ooit gekomen zijn zonder de onthullingen in de media? En als het gerecht dan toch zo goed werkt, mogen we dan weten wanneer de ex-bisschop van Brugge in staat van beschuldiging is gesteld en wanneer zijn proces begint? Luistert dan niemand naar professor Blanpain (toch ook een jurist) die erop wijst dat er de afgelopen tien jaar één (1) veroordeling is geweest inzake misbruik op de werkvloer? Dat iemand die een klacht indient vertrokken is voor een procedure die wel vijf jaar kan aanslepen? Dat het niet echt makkelijk te bewijzen is dat iemand in je billen heeft geknepen (of erger)? Het is — helaas — niet Vrouwe Justitia die de slachtoffers van mannelijke graaizucht enige vorm van genoegdoening zal geven.
Wil dat zeggen dat de media dan maar op de stoel van de rechter moeten gaan zitten? Neen, natuurlijk niet. De opdracht van de media is een andere. Ze moeten wijzen op wantoestanden. Dat kunnen ze niet doen zonder man en paard te noemen. Kan men schrijven over het gedrag van de IMF-baas zonder zijn naam te vermelden? Kan men het debacle van Fortis en Dexia behandelen zonder het over de leidende figuren te hebben? Kan het opperhoofd van de federale politie in opspraak komen zonder dat hij geïdentificeerd wordt?
Dit staat op gespannen voet met het vermoeden van onschuld, ik weet het. Het gebruik van initialen in plaats van de volledige naam biedt hier geen soelaas. Wellicht moet de Raad voor Journalistiek ook over deze kwestie een zo helder mogelijke richtlijn uitwerken. Moeten in afwachting daarvan alle getuigenissen, hoe eensluidend ze ook zijn, dan maar onder de mat worden geveegd? Is het belang ervan niet dat ze ertoe bijdragen dat de werksfeer, zeker voor vrouwen, verbetert? En wie anders dan de media kunnen ze onder de publieke aandacht brengen?
Dat maakt van journalisten nog geen ‘strafpleiters, begiftigd met een diep psychologisch inzicht waardoor ze onmiddellijk zien dat een slachtoffer de waarheid spreekt', zoals meester Van Cauter honend beweerde in De Standaard (25 april). Journalisten — de echte toch — zijn mensen die getuigenissen checken en dubbelchecken en pas publiceren als ze op zijn minst geloofwaardig zijn. Hun taak is het de waarheid te achterhalen voor zover dat mogelijk is, niet om deze of gene partij in het (on)gelijk te stellen.
Dit gaat, toegegeven, weleens gepaard met uitglijders. Journalisten (m/v) zijn nu eenmaal net mensen.
Naschrift
Voor alle duidelijkheid: dit stuk is weliswaar geschreven door de huisgenoot van Kris Smet, de dame die het vuur aan de lont heeft gestoken, maar daarom nog geen pleidooi pro domo. Ik heb geprobeerd het te schrijven in de beste VRT-tradities (die bestaan ook!). Zo objectief en zo genuanceerd mogelijk.
Auteur: Walter Zinzen
Dit opiniestuk verscheen eerder in De Standaard.


rss

















