Tom Naegels

Moeten wij levens redden?
Als bij alle berichtgeving 'hoe' en 'wat' goed worden afgewogen, dan mag bij zelfdoding een heel precieze weegschaal worden gehanteerd. Erover zwijgen houdt geen steek, vindt Tom Naegels. Over de zorgvuldigheid waken wel.
Het is nu wel mooi geweest met dat geluk. Laten we het eens over zelfdoding hebben. Daar hebben de kranten de laatste weken weer vol van gestaan en lezers hadden daar bezwaar tegen. Vooral omdat die stukken, volgens hen, geen rekening hielden met de nu bijna vijf jaar oude 'aanbevelingen voor verantwoorde berichtgeving over zelfdoding (pdf, 3.07 MB)', die de Werkgroep Verder samen met de Raad voor Journalistiek en de Vlaamse Vereniging van Journalisten opstelde. 'Als journalist kan je levens redden' is de opmonterende titel van de brochure. Geldt het omgekeerde ook?
De rode draad door de aanbevelingen is: vermijd dat een artikel aanzet tot kopieergedrag. Mensen met suïcidale gedachten spiegelen zich aan hen die een gelukte poging hebben ondernomen. Media-aandacht voor een zelfdoding trekt hen sneller over de streep. Besteed er dus sowieso niet te veel aandacht aan, geef geen details over de gebruikte methode, verheerlijk of romantiseer het slachtoffer niet, plaats liefst geen foto's, erken de psychologische complexiteit (noem dus niet één reden, en noem het geen 'onverklaarbare daad'), laat een hulpverlener aan het woord die uitlegt hoe zelfdoding kan worden vermeden, vermeld een noodnummer. En als het om bekende personen gaat, is de grootste terughoudendheid vereist.
Die richtlijnen worden niet goed opgevolgd. Het bericht (16 januari) dat door de crisis het aantal zelfmoorden stijgt, was sober en niet dramatiserend (ook al werd er maar één reden gegeven), maar diezelfde dag las ik ook over een 16-jarige die zichzelf 'in brand stak'. Er werd uitgelegd met welke vloeistof ze zich insmeerde, er werd een eerdere poging beschreven, er werd één reden voor haar daad gesuggereerd - een gedwongen huwelijk - die meteen door de ouders werd ontkend en dan toch nog twee paragrafen uitgewerkt, want zelfs al zou het in die case niet hebben gespeeld, toch komt het 'helaas nog wel voor'.
De vrijdag ervoor (13 januari) kon ik online een videoreportage bekijken over een café-uitbater, die bij naam werd genoemd en van wie een foto werd getoond, die zich van het leven zou hebben beroofd na een conflict met brouwerij Haacht. Nog een dag eerder (12 januari) las ik dat Sinead O'Connor een overdosis pillen had genomen. Diezelfde dag verscheen een artikel over een Australisch meisje (met naam en foto) dat zichzelf van het leven had benomen, volgens nabestaanden na 'pesterijen' op Facebook en op school. En ho, amper drie dagen eerder (9januari) een filmpje van een Poolse militaire procureur die zichzelf in beeld neerschoot - enfin, het gebeurde net buiten beeld, maar je hoorde het schot en zag zijn lichaam vallen.
Vanzelfsprekend gaat het bij verontruste lezers dikwijls over de verdwijningen met fatale afloop van de studenten Yannick Cumps en Waldo Van Raemdonck (meerdere malen, in december). Van die laatste werd de methode beschreven, er kwamen mensen aan het woord die zijn daad 'onbegrijpelijk' noemden en meenden dat hij 'geen tekenen van depressie' had getoond.
Het heeft geen zin. Ik zou u kunnen zeggen dat het vaak ook goed gaat: de dubbele pagina 'Wordt 2012 het jaar waarin we gevaarlijk leefden?' (24 december) is volgens het boekje. 'Steun voor studenten' (22 december), over de maatregelen die hogescholen nemen na de zelfdodingen van Cumps en Van Raemdonck, eveneens, net als 'West-Vlaming vindt zelfdoding zwak en laf' (20 december), 'Zelfdodingen moeten dalen' (19 december) of 'Eerste verdriet voelt scherper' (9 december). Vrijwel altijd worden de nummers van Tele-Onthaal en de zelfmoordlijn vermeld. Maar man toch, als ik dat zo oplijst: hoe dikwijls gaat het erover!
Volgens mij is dat het probleem. Zelfdoding is alomtegenwoordig. Het is een cultureel verankerd onderwerp. Talloze romans, films, toneelstukken en tv-series (recent nog in Thuis) maken er een thema van. Er bestaat een sentimentele, een existentialistische, een psychologische, een politieke en zelfs een zwart-humoristische zelfmoordtraditie. Er bestaat een karrenvracht beeldspraak met 'zelfmoord': electorale, politieke, artistieke, symbolische. Bovendien kent iedereen wel iemand die uit het leven is gestapt. Mensen vertellen die verhalen aan elkaar door.
Al met al lijken deze richtlijnen gebaseerd op het hardnekkige, valse idee dat nieuwsmedia de maatschappij zijn - sleutel aan de berichtgeving, en je sleutelt aan de werkelijkheid zelf. Terwijl de enige reden om aan berichtgeving te sleutelen, is: ze, op zichzelf, beter maken. Een zelfdoding voorstellen als 'onbegrijpelijk', of veroorzaakt door één tegenslag, is slechte journalistiek. Het is oninteressant om te berichten over 'massaal onbegrip': dat geldt zowel na zelfmoord als na massamoord. Een journalist hoort het onbegrip net weg te nemen. En één zaak eruit pikken en die wekenlang opvolgen, terwijl er drie slachtoffers per dag te betreuren vallen, is moeilijk uit te leggen. Waarom is er eigenlijk over 'Waldo' en 'Yannick' zoveel geschreven? Omdat die verhalen nu eenmaal een eigen dynamiek kregen?
De aanbevelingen lijken me aan een herziening toe. De berichtgeving over zelfdoding moet volledig, correct en respectvol zijn. Redacties mogen zich vaker de vraag stellen waarom ze een individueel geval zoveel aandacht geven. Maar kopieergedrag vermijden of het 'redden van levens', dat zijn onrealistische verwachtingen.
Auteur: Tom Naegels
Deze column verscheen eerder in De Standaard.


rss

















