Blog - De parodie in het auteursrecht

De parodie in het auteursrecht
Wanneer een werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken (art. 22, 6° A.W.).
Hoewel uit de tekst van de wet blijkt dat bij een parodie enkel "de eerlijke gebruiken" dienen te worden gerespecteerd, stellen de rechters zich ter zake behoorlijk kritisch op. Gevolg: de uitzondering van de parodie wordt zelden aanvaard. Zo is, volgens de rechtspraak, de uitzondering van de parodie slechts van toepassing indien de parodie (i) zelf ook origineel werk is, (ii) een humoristisch of ironisch karakter heeft, (iii) bedoeld is als kritiek op, of als bespotting van het geparodieerde werk, (iv) slechts die vormelementen overneemt die strikt noodzakelijk zijn om de parodie tot stand te brengen, (v) voor het brede publiek geen verwarring veroorzaakt tussen het originele werk en het geparodieerde werk, (vi) niet een louter commercieel oogmerk heeft en (vii) niet gecreëerd is met de intentie of met het opzet schade toe te brengen aan het originele werk.
Begin dit jaar vingen nog zowel LDD als het Vlaams Belang bot bij het inroepen van de uitzondering van de parodie en werden beiden veroordeeld voor een inbreuk op het auteursrecht. In de aanloop van de verkiezingen van 2007 verschenen in de krant en op affiches advertenties waarbij Jean-Marie Dedecker als Lucky Luke neerkijkt op de vier Daltons, (Guy Verhofstadt, Johan Vande Lanotte, Yves Leterme en Geert Bourgeois). In Gent verspreidde de lokale Vlaams Belang-afdeling begin dit jaar een kalender met daarop een karikatuur van de Gentse burgemeester, verwijzend naar het album De Wilde Weldoener van Suske en Wiske. In de LDD-zaak was het Hof van Beroep van Gent op 3 januari 2011 van oordeel dat de kritische functie van de parodie ontbrak. Tot hetzelfde oordeel kwam ook de Voorzitter van de Rechtbank van Brussel op 17 februari 2011 in de zaak rond Suske en Wiske. Volgens deze rechter waren er bovendien ook meer vormelementen uit het originele werk overgenomen dan noodzakelijk om een parodie tot stand te brengen.
Velen herinneren zich wellicht nog de cover van het maandblad Deng (april 2005) waarop Nijntje met een bloedneus, een lijn cocaïne en het onderschrift "ieder zijn lijntje" werd afgebeeld. Ook hier werden er volgens de rechter ( Rb. Antwerpen 12 mei 2005) meer elementen van het originele werk overgenomen dan noodzakelijk om te kunnen parodiëren. Bovendien was de rechter van oordeel dat de afbeelding vooral gebruikt werd om aandacht te trekken en bijgevolg een commercieel oogmerk had. Deze rechtspraak werd op 2 mei 2006 bevestigd door het Hof van Beroep van Antwerpen. De parodie verschilt onvoldoende van het originele werk. Het gaat om een slaafse reproductie die bijgevolg ook inbreuk pleegt op de morele rechten omdat het brede publiek in verwarring kan geraken en denken dat de tekenaar toestemming heeft gegeven voor deze parodie.
Ook in Nederland heeft de tekenaar van Nijntje gepoogd om een aantal afbeeldingen te verbieden die op het internet werden gepubliceerd, met name afbeeldingen waarin Nijntje wordt geassocieerd met drugs, hard core muziek, geweld en terrorisme. De Nederlandse auteurswet kent een gelijkaardige parodiebepaling waarbij een parodie niet als een inbreuk beschouwd wordt wanneer de parodie "in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is"(art. 18b). Dit is eveneens een vage omschrijving die door de rechtspraak dient te worden ingevuld. De Nederlandse hoven en rechtbanken srpingen hier alleen een stuk soepeler mee om dan de Belgische. Zo oordeelde de Rechtbank van Amsterdam dat, althans voor vijf van de zeven afbeeldingen, vanwege de humoristische bedoeling, het ontbreken van concurrentiebedoelingen en het ontbreken van verwarringsgevaar, het gebruik van de afbeeldingen als parodie in dit geval in overeenstemming is met hetg een naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is. Het Gerechtshof van Amsterdam bevestigde deze uitspraak op 13 september 2011 en was eveneens van oordeel dat dit ook gold voor de twee andere afbeeldingen, Het pilletje, Nijntje staat strak en Nijn-eleven. De zeven afbeeldingen zijn volgens het Gerechtshof toelaatbaar omdat ze onmiskenbaar bedoeld zijn om de lachlust op te wekken. Volgens het Gerechtshof is dit een evidente parodie waarbij het werk zelf op de korrel wordt genomen en waarbij de bespotting overduidelijk aanwezig is.
Ondanks het feit dat de criteria in Nederland min of meer gelijkaardig zijn als deze die door de Belgische hoven en rechtbanken worden gehanteerd, oordeelt het Hof dus in een zaak die sterk gelijkt op de Deng-zaak, dat Nijntje wel degelijk aan de coke mag. Dit toont nog maar eens aan dat de rechtspraak een cruciale rol speelt in het afbakenen van het toepassingsgebied van de uitzondering van de parodie. Het is een continu zoeken naar het juiste evenwicht: waar een coke snuivende Nijntje in Nederland als een aanvaardbare vorm van humor wordt beschouwd, wordt diezelfde parodie bij ons als een aantasting van de eer en reputatie van de tekenaar beschouwd. Anderzijds kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de rechtspraak in België, in tegenstelling tot in de Nederlandse, wel heel zuinig omspringt met de uitzondering van de parodie. Het lijkt wel schier onmogelijk om de door de rechtspraak ontwikkelde criteria allemaal te vervullen in een enkele parodie.
Auteur: Sandrien Mampaey
Dit artikel verscheen eerder in de "Legal Newsletter VDP" van de Vlaamse Dagbladpers.
Het volledige arrest vindt u hier.


rss

















